Ik had zes cavia’s. De vader
en moeder, Kruin en Hilde, en de vier jonkies zaten
gezellig in hun kooi, maar mijn opa stond nadenkend
over de kooi gebogen. “Wat is er?” vroeg ik.
“De kooi is te klein. We moeten een grotere kooi voor
ze hebben. Nu zijn de jonkies nog klein, maar als ze
groter worden, wordt de kooi al snel te klein.”
Mijn vader, die net boven kwam, had gehoord wat mijn
opa zei en hij zei: “Je kan de volière wel gebruiken.
Die staat toch leeg.” Het klonk alsof de vorige
bewoners er uit waren gegaan en het nu te huur stond,
maar de parkieten die er in hadden gezeten, waren al
weer een poosje dood. “Dat is een goed idee,” vond
mijn opa. “Als ik tijd heb, doe ik dat wel,” zei
mijn vader. Na een paar weken, toen de kleintjes
al wat groter waren, bleek wel dat de kooi inderdaad
te klein werd. De volière werd uit de kelder
gehaald door mijn vader, schoongemaakt door mijn oma
en op een schraag gezet door mijn opa. Ik vond het
de mooiste kooi die ik ooit gezien had. Natuurlijk kende
ik de volière wel, maar nu hij dienst zou gaan
doen als nieuw cavia-onderkomen, gaf dat er opeens een
extra dimensie aan. Er zaten aan de zijkanten twee
schuifdeuren en aan de voorkant een grote deur die opengeklapt
kon worden. Ik legde er zaagsel in (dat in grote
balen bij mijn opa en vader op de werkplaats stond -
ze hadden immers een meubelmakersbedrijf), legde er
hooi op en keek naar de kooi. “Een beetje kaal,”
vond mijn opa. “Weet je wat je zou moeten doen? Hokjes
maken!” Hokjes waren tot dat moment voor mij niet
meer geweest dan iets waar de cavia’s in sliepen, maar
nu ik er zelf een zou mogen maken, borrelde ik opeens
over van creativiteit. Ik kreeg plankjes, spijkers
en een hamer van mijn opa en ging driftig aan het hameren.
Natuurlijk sloeg ik op mijn vinger, maar ondanks de
blauwe vinger kon ik na wat noeste arbeid trots de hokjes
laten zien aan mijn opa. “Heel mooi,” keurde hij
mijn eerste schreden op timmergebied. Het ene hokje
was langwerpig, het andere vierkant. Ik zette de hokjes
in de kooi, zette ze op een andere plek, en weer op
een andere plek, tot ik tevreden was. Ik zette er
de voer- en drinkbakje in en legde er eten in. De
cavia’s werden overgebracht naar hun nieuwe onderkomen
en nadat iedereen bekomen was van de schrik (de cavia’s)
en de opwinding (ik) vielen de cavia’s in slaap en ging
ik naar school. Het eerste wat ik deed toen
ik van school kwam, was naar de werkplaats gaan. Ik
begroette Kruin en Hilde en daarna de jonkies. Ik had
ze Hiltsjie, Dora, Rosje en Panta genoemd. Maar ik kon
Rosje niet vinden. Ik riep mijn opa en die zei direct:
“Je zal de kooi wel open hebben laten staan. Laten we
maar gaan zoeken.” We lieten ons op de grond zakken
en zochten beiden op handen en knieën de grond
af. Uiteindelijk vonden we haar onder de kachel. Die
stond op een plateau en er onder lagen wat verdwaalde
houtkrullen. En het was er warm. “Je moet niet meer
de kooi open laten staan,” zei mijn opa, nadat hij geconstateerd
had dat ze niets mankeerde. Ik knikte nederig –
dat was mijn weer een les in verantwoordelijkheid met
betrekking tot dieren. Een paar weken later
kwam ik van school. Ik ging direct naar de werkplaats
en daar zag ik mijn opa, mijn oma en mijn vader voor
de caviakooi staan. “Wat is er?” vroeg ik. “Kom
maar kijken,” zei mijn opa. Ik liep naar de kooi
en keek. Er zaten niet zes cavia’s, maar… hoeveel
cavia’s zaten er wel niet in de kooi? Stomverbaasd
keek ik naar al die cavia’s. “Hiltsjie is vader
geworden en zijn zusjes moeder,” zei mijn opa. “Hoeveel
cavia’s zijn dat wel niet” wilde ik weten. “Dora
kreeg er één, Rosje drie en Panta vier.”
“Dat zijn er… Dan heb ik veertien cavia’s in totaal!”
riep ik uit. “Dat gaat een dure grap worden,” zei
mijn opa en keek naar mijn vader. Deel 1
van dit verhaal is Van duivenhok
naar caviahok Deel 2 van dit verhaal is Nog meer cavia’s! Deel 3
is deze column: Een hele kudde! Deel 4 van dit verhaal
is Een bewogen vakantie Deel 5 van dit verhaal is De parkietencavia Deel 6 van
dit verhaal is Verantwoordelijkheidsgevoel Deel 7
van dit verhaal is: Fabi en
Medea |