DNA Hoe de cavia eruit ziet, is afhankelijk
van zijn DNA. Zowel de kleur van zijn ogen, de kleur
van zijn vacht, de lengte van zijn haren en nog veel
meer eigenschappen, vinden hun oorsprong in het DNA.
DNA is het erfelijkheidsmateriaal, de genetische code.
Het is de blauwdruk van de cavia: als de cavia in de
baarmoeder groeit, groeit hij aan de hand van zijn genetische
code. En dat hij een cavia wordt, en geen koe, is ook
vastgelegd in een genetische code, namelijk die van
zijn vader en moeder, om specifieker te zijn: in de
eicel van zijn moeder en in de zaadcel van zijn vader.
Waar zit het DNA? Het DNA zit in de celkern. Een
lichaam bestaat uit kleinere delen zoals organen, botten
en weefsel (zoals spierweefsel en bindweefsel). De organen,
botten en weefsels zijn ook opgebouwd uit kleinere delen:
de cellen. En iedere cel is op zijn beurt ook weer
samengesteld uit kleine onderdelen die allemaal een
taak hebben: de organellen. Net zoals ons lichaam organen
nodig heeft om in leven te blijven, net zo heeft een
cel organellen nodig om in leven te blijven en zijn
werk te kunnen doen. Je zou de organellen dan ook kunnen
zien als de organen van de cel. Eén van die
organellen in de cel is de celkern. En in de celkern
zit het DNA in de vorm van chromosomen die op hun beurt
weer bestaan uit genen.

|
Dit
is een wel erg schematische voorstelling
van een cel want de cel is in werkelijkheid
veel complexer - en in werkelijkheid lijkt
het natuurlijk niet op een gezicht!
De paarse rand is het celmembraam,
de mond en ogen zijn organellen en de neus
is de celkern. Genetica kan best leuk zijn! |
Het genoom Al het DNA van één lichaam
tezamen, noemen we een genoom. Genoom betekent letterlijk:
de totale som van alle genen van een lichaam. Je
kan een genoom vergelijken met een handleiding om iets
te bouwen, te laten werken en te onderhouden. Als je
een computer wilt bouwen, maar je weet niet hoe dat
moet, is een handleiding onontbeerlijk. Zonder zo'n
handleiding ben je nergens. Een genoom werkt hetzelfde:
er dient een lichaam te worden gebouwd, het lichaam
dient te werken en het moet onderhouden worden.
Als je een computer bouwt, heb je diverse onderdelen
nodig en van ieder onderdeel moet je weten waar het
moet komen, hoe het moet worden aangesloten et cetera.
Als er een lichaam gebouwd moet worden, heb je ook diverse
onderdelen nodig. En het genoom van de mens en van de
cavia bestaat uit 46 chromosomen die tezamen 23 chromosomenparen
vormen. Je zou kunnen zeggen dat de handleiding voor
het bouwen van een mensenlichaam of een cavialichaam
uit 23 delen bestaat. Genen en chromosomen DNA bestaat uit chromosomen en op de
chromosomen zitten de genen. Het genoom, de 'handleiding'
voor het bouwen van een lichaam, bestaat uit 23 delen,
oftewel 23 chromosomenparen. Er zijn 46 chromosomen
die tezamen 23 homologe chromosomenparen vormen. Homoloog
betekent 'overeenstemmend' of gelijksoortig. De chromosomen
zitten in het kernlichaam van de celkern. Iedere cel
heeft een celkern en in die kern zit een kernlichaam.
Zeg maar de kern van de celkern.

|
Nogmaals
de cel die op een gezichtje lijkt.
De 'neus' is de celkern en in die kern zit
een kernlichaam dat hier rood is aangegeven.
De groene sliertjes die in de celkern
zitten, zijn de chromosomen. In werkelijkheid
zijn er 46 chromosomen bij de mens en de
cavia die in 23 homologe chromosomenparen
geschikt zijn. |
Plaats van het DNA Het DNA zit in de cel, maar ook in de
celkern. De cel is gevuld met een gelei-achtig vocht
dat voor 80% uit water bestaat en dat cytoplasma wordt
genoemd. Plasma betekent 'vocht' en cyto betekent
'cel'. Cytoplasma is dus celvocht. Het DNA dat in
de celkern zit, noemen we DNA, maar het DNA dat in het
cytoplasma zit, noemen we RNA. Dat verschil komt
voort uit het feit dat er een verschil van één
zuurstofatoom tussen beide zijn. zowel DNA als RNA zijn
nucleïnezuren. Dat beide nucleïnezuren genoemd
worden, komt omdat de ontdekker ervan het als naam acid
gaf. Dat is Engels voor 'zuur'. Nucleïne is
afgeleid van nucleus, dat 'kern' betekent; in dit geval de kern
van de cel. DNA en RNA zijn dus beide nucleïnezuren,
maar het DNA heeft één zuurstofatoom minder
dan RNA. RNA heeft vijf koolstofatomen en vijf zuurstofatomen;
DNA heeft eveneens vijf koolstofatomen, maar vier zuurstofatomen.
De volledige
naam van RNA is ribonucleïnezuur. Ribo komt van
ribose en dat bekent 'suikersoort met vijf koolstofatomen'.
De naam ribonucleïnezuur betekent dan ook zoveel
als: een suikersoort met vijf koolstofatomen dat in
het celvocht zit. DNA heeft echter één
zuurstofatoom minder en wordt daarom desoxyribonucleïnezuur
genoemd. Desoxyribonucleïnezuur is samengesteld
uit hetzelfde woord als dat voor RNA wordt gebruikt,
namelijk ribonucleïnezuur, maar daarvóór
staan nog des en oxy. Des betekent 'niet' of 'geen' en oxy is
afgeleid van het Engelse woord oxygen dat 'zuurstof'
betekent. Desoxy betekent dus: iets minder zuurstof,
oftewel: één zuurstofatoom minder.
De afkortingen DNA en RNA komen van de Engelse woorden
DeoxyriboNucleic Acid en RiboNucleic Acid. Beide woorden
betekenen hetzelfde als in het Nederlands.
DNA, met zijn vier zuurstofatomen, vinden we dus in
de celkern en RNA, met zijn vijf zuurstofatomen, in
het cytoplasma (het celvocht). Chromosomen Het DNA bestaat uit chromosomen (en
chromosomen uit genen) en het DNA-alfabet bestaat uit
vier letters. Het genoom, de handleiding, van de mens
bestaat uit drie miljard DNA-letters. Dit houdt in dat
iedere cel in het menselijk lichaam over 1,8 meter aan
DNA bezit. Als je de DNA-handleiding tenminste achter
elkaar legt. Omdat 1,8 meter aan DNA per cel in zou
houden dat iedere lichaamscel ook zo lang zou moeten
zijn, en dit onmogelijk is, wordt al het DNA opgerold.
Het DNA zit dan ook in een spiraalvormige ladder en
zo'n opgerold stuk DNA noemen we een chromosoom. En
de chromosomen zitten in de celkern. Er zijn 23 chromosomen,
of, juister gezegd, er zijn 23 chromosomenparen die
opgebouwd zijn uit 46 chromosomen. Van die 46 chromosomen
zijn er steeds twee die gelijkgevormd zijn en deze vormen
dan ook een paar; op die manier ontstaan er 23 chromosomenparen.
Als de chromosomen niets te doen hebben, dat wil
zeggen als ze zich niet delen (voor nieuwe cellen zorgen)
zitten de chromosomen in elkaar gestrengeld, net zoals
een pluk watten: er zijn wel afzonderlijke strengetjes,
maar die zie je niet. Pas als de chromosomen aan het
werk moeten, zijn ze afzonderlijk te zien als de 46
afzonderlijke chromosomen en dan worden ze ook korter
en dikker. Van de 46 chromosomen is de ene helft
afkomstig uit de eicel van de moeder en de andere helft
uit de zaadcel van de vader. De gelijksoortige chromosomen
zoeken elkaar op en vormen paren. Dat ze gelijksoortig
zijn, wil echter niet zeggen dat ze identiek zijn: ze
bevatten soortgelijke informatie, bijvoorbeeld voor
de kleur van de ogen, maar het kan heel goed zijn dat
op het ene chromosoom de instructie voor het maken van
blauwe ogen staat, terwijl op het andere de instructie
voor het maken van bruine ogen staat. Van de
46 chromosomen zijn er slechts twee die het geslacht
bepalen van het individu. De overige 44 chromosomen
doen dat niet en worden autosomen genoemd. Autos
komt van het Grieks en betekent: 'persoonlijk' of 'eigen
aan ieder lid van de soort, ongeacht het geslacht'.
De twee die wel het geslacht bepalen, noemt men de geslachtschromosomen.
Vrouwen hebben twee X-chromosomen, mannen hebben één
X-chromosoom en één Y-chromosoom.

|
De
23 chromosomenparen van de mens. Indien
het om een vrouw gaat bestaat het 23ste
chromosoom uit een paar X-chromosomen; gaat
het om een man, dan bestaat het 23ste paar
uit een x- en een y-chromosoom. |
De
chromosomen die het geslacht bepalen heten
geslachtschromosomen; de chromosomen die
dat niet doen, noemt men autosomen. |
Verschil in aantal
chromosomen Mensen hebben
46 chromosomen, en 23 chromosomenparen. Cavia's ook.
Maar niet ieder dier heeft 46 chromosomen, andere hebben
er meer of minder.
Diersoort |
Aantal
chromosomen |
Hond |
78 |
Paard |
66 |
Rund |
48 |
Resusaap |
48 |
Mens |
46 |
Cavia |
46 |
Kat |
38 |
Kip |
32 |
Honingbij |
32 |
Kip |
32 |
Kikker |
26 |
Slak |
24 |
DNA structuur: ladders
en sporten De vier bestanddelen
waaruit het DNA bestaat en die adenine, cytosine, guanine
en thymine worden genoemd (het DNA-alfabet), vormen
altijd paren. Adenine wordt gekoppeld aan thymine, en
guanine aan cytosine. Dit is de structuur van het DNA.
Omdat A koppelt aan T en G aan C, worden er altijd paren
gevormd.

|
Het
chromosoom bestaat uit een streng DNA. |
Deze DNA
paren vormen zo een ladder, waarbij elke sport wordt
gevormd door een A-T of een G-C verbinding. De DNA-ladder
loopt echter niet recht, maar lijkt nog het meeste op
een wenteltrap. Dit noemen we de DNA-helix. Helix betekent
schroef of spiraal, en dat is inderdaad waar de DNA-helix
op lijkt.

|
Het
DNA bestaat uit een dubbele spiraal die
verbonden is door A-T en G-C verbindingen. |
De taal van het
DNA DNA kan je zien als
een taal. Het alfabet bestaat uit vier letters waarmee
woorden van drie letters worden gemaakt. De vier
letters waar het DNA-alfabet uit bestaat zijn A, C,
G en T. Dit zijn afkortingen van de vier eenheden waaruit
het DNA bestaat: adenine, cytosine, guanine en thymine.
Met deze DNA-letters worden woorden gemaakt die altijd
uit drie letters bestaan. Zoiets als dit: act cct gaa gaa aaa Dat zegt ons niets, maar als je
een zin neemt die alleen uit drie woorden bestaat, dan
begrijp je direct wat er bedoeld wordt: Die koe zit bij het hek. Dat komt omdat wij onze taal begrijpen.
Net zo begrijpt het DNA zijn taal. En alles wat er opgeschreven
staat in het genoom (al het DNA van één
lichaam tezamen), kan het DNA lezen en begrijpen. En
dat is nodig ook, want het is dankzij dit genoom dat
een lichaam groeit en in stand wordt gehouden. Het genoom
zou je kunnen omschrijven als de handleiding voor een
lichaam. Als je een kast in elkaar wilt zetten, is het
handig als je een handleiding hebt, anders weet je niet
waar wat moet. Hetzelfde geldt voor het genoom: zonder
deze handleiding zou een lichaam niet op de juiste manier
in elkaar worden gezet.

|
Het
DNA bestaat uit een dubbele spiraal, een
soort ladder. De sporten zijn verbonden
door A-T en G-C verbindingen. |
De sporten
van de ladder worden gevormd door de A-T en G-C verbindingen,
maar dit zijn niet de woorden waaruit het DNA bestaat.
Immers, alle DNA-woorden bestaan uit drie letters en
de A-T en G-C verbindingen bestaan uit twee letters.

|
De
twee zijden van de spiraal met daarop de
genetische informatie in de vorm van DNA-letters. |
De DNA woorden
worden dan ook niet gevormd uit de sporten van de ladder,
maar uit de ladder zelf.

|
Het
DNA wordt zo afgelezen. |
Iedere letter
van het DNA wordt een base genoemd. Een opeenvolging
van drie basen is een triplet (triple betekent drievoudig).
Woorden en zinnen
in de DNA-taal Als we
een willekeurige zin nemen in de DNA-taal, dan zien
we zoiets als dit: atg
aaa aaa aaa aaa aaa aaa aaa aaa cgg aaa aaa aaa aaa
aaa taa Hoewel het DNA
niet onze taal is, kunnen we inmiddels veel van het
DNA lezen. Het DNA werkt niet, zoals een andere taal,
met komma's, hoofdletters en punten. Wij weten
in onze taal door de interpunctie (het gebruik van hoofdletters,
punten en dergelijke) waar een zin begint en eindigt.
Hoewel het DNA geen interpunctie kent zoals wij die
kennen, weet het toch heel goed waar een zin begint
en eindigt, of, om het in DNA-taal te zeggen: waar een
instructie begint en waar deze eindigt. Dat is namelijk
wat ieder woord in het DNA is: een instructie. Om bepaalde
stoffen te maken die een lichaam nodig heeft om te groeien
en om in stand te worden gehouden. Zo'n instructie
in de DNA-taal noemen we een codon. Het DNA
weet waar een codon begint en eindigt omdat het gebruik
maakt van interpunctie-codons. Iedere instructie begint
met een startcodon en eindigt met een stopcodon.
In deze DNA zin: atg
aaa aaa aaa aaa aaa aaa aaa aaa cgg aaa aaa aaa aaa
aaa taa is het startcodon
het woord atg en het stopcodon is het woord taa.
De instructie is cgg; in dit geval zorgt deze instructie ervoor
dat het aminozuur arginine wordt gemaakt. De rest van
de woorden (al de aaa-woorden) zijn junk-DNA. Junk-DNA
is de term voor DNA-zinnen en -woorden die nergens toe
lijken te dienen. Of ze inderdaad nergens toe dienen
of dat ze toch een functie hebben, is nog niet bekend.
Meer dan 90% van het DNA bestaat uit junk-DNA.
Wanneer wordt er
DNA 'gesproken'? In iedere
cel zit DNA. En iedere cel heeft DNA nodig om nieuwe
cellen te kunnen maken. Maar wat zou een levercel nu
moeten met de instructies om een bloedcel te maken?
Niets, helemaal niets. Want een levercel moet levercellen
maken en geen bloedcellen. Maar toch heeft iedere levercel
de complete genetische code voor het maken van bloedcellen
- en de complete genetische codes voor het maken van
netgelijk welke andere cel in het lichaam. Hoe weet
de levercel dan welke instructies uit de handleiding
hij moet volgen zodat hij een levercel maakt en niet
een bloedcel? Ook dat staat aangegeven in de DNA-taal
door middel van DNA-interpunctie. Een instructie wordt
namelijk ook voorafgegaan door een aantal woorden die
promotoren heten. Deze promotoren vertellen aan de levercel
dat hij levercellen moet maken en niet een ander soort
cel. Maar de levercellen kunnen natuurlijk niet
onbeperkt levercellen aanmaken, want dan komen er veel
te veel levercellen. Hoe weet de levercel wanneer hij
een nieuwe levercel aan moet maken? En hoeveel hij er
moet maken? Ook dat staat beschreven in het DNA, en
wel in de regulatoren. Dit zijn een aantal woorden die
de instructie voorafgaan en die de levercel vertellen
wanneer en hoeveel hij een nieuwe levercel moet maken.
Genen: het echte
werk DNA zit in de celkern
en is opgebouwd uit chromosomen. Op de chromosomen liggen
de genen, of, eigenlijk worden chromosomen gevormd door
een aaneenschakeling van vele genen. Het woord gen is
gevormd van het Griekse genea of genos: 'geboorte' of 'afstamming'. Een
gen doet het echte werk: dat wil zeggen dat er een gen
nodig is om een bepaald eiwit te maken. Want het zijn
eiwitten die in belangrijke mate de bouw en werking
van een lichaam of organisme bepalen. Structuureiwitten
zijn nodig als bouwstenen van bepaalde organen, zoals
collageen (bindweefsel) en filamenten (vezels) die de
spieren doen samentrekken. Transporteiwitten zijn nodig
voor het transport van zuurstof in het bloed. Beschermende
eiwitten zijn nodig voor de afweer en regulerende eiwitten
zijn nodig om processen ordelijk te doen verlopen. Enzymen
zijn eiwitten die bepalen wanneer bepaalde chemische
reacties moeten plaatsvinden en deze controleren.
Eiwitten bestaan uit een aantal aminozuren. Deze
aminozuren kunnen in diverse bepaalde volgordes voorkomen
en het doel en de werking van een eiwit is afhankelijk
van de samenstelling van zo'n door aminozuren gevormde
keten. Een eiwit is dus een stof die nauwkeurig
moet worden gevormd, juist omdat het zo'n belangrijk
onderdeel vormt van de opbouw en in stand houden van
een lichaam of organisme. En dat wat ervoor zorgt dat
het eiwit precies en exact zo wordt zodat het zijn taak
kan doen, is het gen. Hoe werkt het gen? Het gen bestaat uit letters in de DNA-taal.
Ieder woord bestaat uit drie letters; dat is een triplet
(triple betekent drievoudig). Dan is er het mRNA.
De m die voor het RNA staat, is de afkorting van messenger,
het Engelse woord voor 'boodschapper', en dat is dan
ook wat mRNA is: een boodschapper die de instructies
van het DNA overbrengt. Het mRNA zorgt ervoor dat
de DNA-code correct wordt overgebracht en dat aan de
hand van die code een aminozuur wordt gemaakt.
Je kan dat vergelijken met een bandje die muziek maakt
en nu weleens een plantencontract in de wacht wil slepen.
Om dat te doen, hebben ze eerste een cd nodig met wat
leuke nummers. Dus ze gaan de muziekstudio in, beginnen
te spelen en nemen dat op op een cd. De cd kan je
vergelijken met het mRNA. Zo'n 'zin' van DNA-letters
geeft opdracht om een bepaald soort eiwit te maken die
uit een keten van aminozuren bestaat. Dit proces heet
eiwisynthese en verloopt als volgt. In de kern van
de cel worden er kopiën gemaakt van dat deel van
het DNA dat gekopieerd moet worden. Dit heet transcriptie.
Transcriptie betekent het overzetten van bepaalde informatie
in een andere vorm. Deze andere vorm waaruit de kopiën
bestaan bevatten meer informatie dan noodzakelijk is
voor het vormen van het specifieke eiwit en daarom moeten
ze eerst geschikt gemaakt worden voor ze de celkern
kunnen verlaten: de overtollige informatie moet eruit
worden gehaald en er dienen bovendien een aantal aanvullende
instructies aan toegevoegd worden. Deze ruwe kopiën
noemt men pre-mRNA. Vergelijk dit met de cd
die het bandje heeft opgenomen. Het blijkt dat sommige
nummers wat meer effect moeten hebben terwijl andere
niet helemaal uit de verf kwamen. Daarom gaat de band
met hun cd naar een goede vriend die alle muziek zal
verfijnen tot het nèt zo is als ze willen. De
ruwe cd wordt zo omgezet tot een cd die af is; hij is
'rijp'. Het pre-mRNA wordt omgezet tot rijp
mRNA: dit proces noemt men processing. Processing komt
van het werkwoord to
process en betekent 'fabriceren'
of 'maken'. Als het mRNA rijp is (dus exclusief
overtollige informatie en inclusief aanvullende instructies)
verlaat het mRNA de celkern en gaat het naar het cytoplasma
dat in de cel zit. Het cytoplasma is het vocht dat in
de cel zit. Dáár zit het RNA terwijl het
DNA in de kern van de cel zit. In het cytoplasma
wordt de boodschap van het mRNA afgelezen door ribosomen.
Je kan je dit principe voorstellen als een cd-speler
waarop de cd van de band wordt afgespeeld: de ribosomen
zijn de cd-speler en het mRNA is de cd die afgespeeld
wordt. Nadat de ribosomen het mRNA gelezen hebben en
dus weten wat ze moeten doen, worden vervolgens de aminozuren
gemaakt die samen het specifieke eiwit vormen. Dit proces
heet translatie. Translatie betekent overbrenging of
overdracht, en in dit specifieke geval betekent het
de omzetting van een genetische code in een eiwitstructuur.
Als dat klaar is, is het eiwit gemaakt! Precies
zoals het moet zijn. Dankzij de instructies in het DNA.
|