Wat is een mutatie?
Een mutatie is een blijvende verandering
in de samenstelling van het genetisch materiaal. Erfelijke
mutaties zijn mutaties die ontstaan in de voortplantingsscellen.
Somamutaties zijn mutaties in andere cellen dan
de voortplantingscellen; deze zijn niet erfelijk.
Er zijn drie soorten mutaties: - genmutaties
- chromosoommutaties - genoommutaties
Genmutaties Een genmutatie ontstaat wanneer
er wijzigingen optreden in de DNA-code. Er zijn vier
soorten genmutaties. Puntmutatie Bij een puntmutatie wordt een van de basen
(de letters van het DNA) vervangen door een ander.
Als er in de zin die
koe zit bij het hek een letter
wordt gewijzigd, kan de betekenis van de zin verloren
gaan. Bijvoorbeeld: die
kou zit bij het hek. Hetzelfde
geldt voor de DNA-taal; de wijziging van één
letter, kan ervoor zorgen dat het DNA niet juist gekopieerd
wordt. Insertie Bij
een insertie worden er een of meer basenparen toegevoegd.
Een basenpaar is A-G of T-C. Als er in de zin die koe zit bij het hek, de twee letters en worden ingevoegd tussen de woorden die en
koe, krijg je een onbegrijpbare zin: die enk oez itb ijh eth ek. Deletie Bij
een deletie zijn er een of meer basenparen verwijderd.
In de zin die koe
zit bij het hek de letters ie van
die verwijderen, geeft de volgende zin: dko ezi tbi jhe the k. Inversie Inversie
houdt in dat een stukje van de DNA-streng los geraakt
is en er achterstevoren weer is ingeplakt. De zin die koe zit bij het hek, komt, als de woorden zit bij het er
omgekeerd ingezet worden, er als volgt uit te zien:
die koe teh jib
tiz hek. Effecten van een
genmutatie Genmutaties kunnen
geen, enige of grote gevolgen hebben, afhankelijk van
de mutatie, en de gevolgen kunnen zowel positief als
negatief zijn. Afhankelijk van het effect, onderscheidt
men de volgende soorten veranderingen: - stille
mutatie - missense-mutatie (verkeerde-betekenis-mutatie)
- nonsensmutatie - frameshift-mutatie (verschuivingsmutatie)
Stille mutatie Een stille
mutatie is een mutatie die geen enkel effect heeft.
Dit komt omdat een stille mutatie optreedt in dat deel
van het DNA dat niet noodzakelijk is voor het vormen
van eiwitten of omdat de mutatie hetzelfde resultaat
oplevert als het oorspronkelijke DNA.
Missense-mutatie
(verkeerde-betekenis-mutatie)
Bij een missense-mutatie wordt het DNA dermate veranderd
dat er een ander aminozuur wordt gevormd; dit kan leiden
tot zeer ernstige gevolgen, maar het kan ook nauwelijks
van invloed zijn op het organisme. Nonsensmutatie
Bij een nonsensmutatie wordt een gewoon codon vervangen
door een stopcodon; in de meeste gevallen is het hierdoor
onmogelijk voor het aldus verkeerd gemaakte eiwit om
te functioneren zoals het eiwit dat eigenlijk gemaakt
had moeten worden, zou doen. frameshift-mutatie (verschuivingsmutatie) Een frameshift-mutatie is een mutatie die
de DNA-taal vanaf de mutatie niet meer leesbaar maakt
omdat indeling in codons en triplets vanaf de mutatie
verloren is gegaan. Chromosoommutaties Een chromosoommutatie treed op als een
chromosoom van vorm verandert. Er zijn veel manieren
waarop een chromosoommutatie kan optreden: - isochromosomen
- deletie - terminale deletie - ringchromsoom
- inversie - duplicatie - translocatie (plaatsverandering)
Isochromosomen Een isochromosoom is een verkeerde deling
van een chromosoom; het chromosoom deelt zich niet overlangs,
maar overdwars, waardoor het ene de lange armen bezit
en het ander de korte armen. Hierdoor hebben ze beide
dezelfde informatie dubbel terwijl ze tevens het andere
deel met erfelijke informatie missen. Iso betekent 'gelijk'
en een isochromosoom is dan ook een chromosoom dat gelijke
informatie draagt.

|
Een
chromosoom. |

|
Een
normale deling van een chromosoom. |

|
Een
verkeerde deling die een isochromosoom oplevert. |
Deletie Bij
een deletie is er een deel van het chromosoom verloren
gegaan omdat het chromosoom nadat het in stukken was
gebroken, niet meer aan elkaar kan groeien.

|
Een
chromosoom breekt in stukken. |

|
Het
afgebroken stukje chromosoom kan niet meer
aangroeien en een deletie is het gevolg. |
Terminale deletie
Bij terminale deletie is het uiteinde van een chromosoom
verloren gegaan.

|
Het
uiteinde van een chromosoom breekt af. |

|
Het
uiteinde groeit niet meer aan en een terminale
deletie is het gevolg. |
Interstitiële deletie Interstitium is een Latijns woord en betekent 'tussenruimte'.
Een interstitiële deletie treedt op wanneer een
chromosoom tweemaal doormidden breekt en de uiteinden
aan elkaar groeien zonder het tussenstuk erin op te
nemen. Het middenstuk verdwijnt.

|
Een
chromosoom breekt in stukken. |

|
De
uiteinden groeien weer aan elkaar, maar
het middenstuk ontbreekt en
een interstitiële deletie is het resultaat. |
Ringchromsoom
Indien een tweezijdige terminale deletie optreedt, dat
wil zeggen dat beide uiteinden van een chromosoom afbreken,
kunnen de overgebleven uiteinden aan elkaar groeien
waardoor het chromosoom de vorm van een ring krijgt.

|
Aan
beide uiteinden van een chromosoom breekt
een stuk af en een tweezijdige terminale
deletie is het gevolg. |

|
De
uiteinden groeien aan elkaar zodat een ring
ontstaat. |
Inversie Als
een chromosoom breekt, kan het DNA in omgekeerde volgorde
er weer aan vast groeien.

|
De
uiteinden groeien aan elkaar zodat een ring
ontstaat. |
Duplicatie
Indien een chromosoom breekt en het stukje DNA komt
op het homologe chromosoom terecht, is er sprake van
duplicatie. Immers, de andere chromosoom beschikt al
over dat stukje DNA zodat het ene chromosoom het dubbel
heeft en de ander het in het geheel niet heeft.

|
Het
chromosoom breekt. |

|
Het
afgebroken stukje wordt op het homologe
chromosoom ingevoegd. |
Translocatie (plaatsverandering) Als een chromosoom breekt en het stukje
komt niet terecht in het homologe chromosoom, maar in
een ander chromosoom dat niet homoloog is, is er sprake
van translocatie. Een translocatie wordt een eenvoudige
translocatie genoemd indien één stukje
van het chromosoom in een niet-homologe chromosoom terechtkomt.
Het wordt een reciproque (wederkerige) translocatie
genoemd wanneer twee niet-homologe chromosomen stukjes
uitwisselen. En het heet een Robertsoniaanse translocatie
indien er tegelijkertijd isochromen ontstaan.
- Eenvoudige translocatie

|
Een
stukje DNA op een chromosoom. De chromosomen
zijn niet homoloog. |

|
Het
stukje DNA breekt los. |

|
En
wordt ingevoegd in een niet-homoloog chromosoom. |
- Reciproque (wederkerige) translocatie

|
Twee
stukjes DNA op twee niet-homologe chromosomen. |

|
De
stukjes breken los en verplaatsen zich naar
het andere niet-homologe chromosoom. |

|
De
stukjes zijn ingevoegd. |
- Robertsoniaanse
translocatie

|
Twee
niet-homologe chromosomen. |

|
Ze
worden overdwars gedeeld zodat er isochromosomen
ontstaan. |

|
De
helften van de chromosomen voegen zich niet
samen zoals isochromosomen, maar de lange
zijden voegen zich aaneen en de korte zijden
voegen zich aaneen. |

|
Een
Robertsoniaanse translocatie. Het chromosoom
met de korte armen overleeft het meestal
niet. |
Genoommutaties Bij een genoommutatie zijn er niet
het normale aantal van 46 chromosomen, maar juist minder
of meer chromosomen dan 46. Waardoor ontstaan
mutaties? Door willekeur
of door mutagenen. Willekeur treedt op in de voortplantingscellen.
Mutagenen zijn chemische, biologische of fysische factoren
die mutaties kunnen veroorzaken. Mutagenen zijn geen
genen, maar het woord is het meervoud van mutageen.
Mutaties
in de voortplantingscellen
Niet alle oorzaken die mutaties kunnen doen ontstaan
zijn bekend. De willekeurige mutaties die optreden in
de voortplantingscellen (voor mensen geldt dat ieder
individu minstens twee nieuwe mutaties heeft) treden
gewoon op, zonder dat bekend is waardoor ze optreden.
Mutaties die op kunnen treden in de voortplantingscellen
ten gevolge van invloeden van buitenaf kunnen ontstaan
door: - röntgenstraling - radioactieve
straling - virussen - verhoging van de temperatuur
van de zaadcellen. Onderzoek heeft aangetoont dat indien
een strak zittende broek wordt gedragen of indien vele
uren per dag zittend wordt gewerkt, de temperatuur van
de teelballen dermate oploopt (met ongeveer 3 graden
Celsius) dat daardoor de mutatiefrequentie verdubbeld.
Dit (de broek en het werk) geldt niet voor cavia's,
maar het kan wel van invloed zijn indien cavia's in
een te warme omgeving worden gehouden (boven de ongeveer
25-30 graden Celsius). Mutaties in de lichaamscellen Er kunnen mutaties optreden in de lichaamscellen.
Het resultaat kan kanker zijn. Bekende stoffen die
mutaties kunnen veroorzaken zijn: - asbest -
monomeer van PVC - nikkel - chroom - minerale
oliën - benzine - sommige medicijnen
- vervuiling - tabak - nitrosaminen ontstaan
uit nitriet (in bladgroente die met veel kunstmest zijn
behandeld) - verbrand en gefrituurd voedsel
- resten van bestrijdingsmiddelen in voeding - de
schimmel Aspergillus flavus die aflatoxines afscheidt
en die zich kan ontwikkelen in granen en noten in een
vochtige en warme omgeving - straling - overmatig
zonlicht - röntgenstraling - radioactieve
straling - virussen - bacteriën
Effecten van mutaties Mutaties kunnen slecht of goed uitpakken
of geen resultaat hebben, afhankelijk van het soort
mutatie. Een mutatie die geen effect heeft in het fenotype,
kan wel van invloed zijn op het nageslacht, hoewel ook
dit niet hoeft - het is afhankelijk van waar de mutatie
optrad. Neutrale mutaties
Neutrale mutaties zijn die mutaties die geen invloed
hebben op het fenotype. Positieve mutaties
Dit zijn mutaties die een extra voordeel opleveren voor
het organisme. Mutaties kunnen zorgen voor betere overlevingskansen,
door bijvoorbeeld een schutkleur te hebben waar andere
individuen dat niet hebben zodat het organisme met de
mutatie niet of minder snel door vijanden opgemerkt
wordt. Een mutatie kan zorg dragen voor het ontstaan
van eiwitten die een bepaald soort voedsel kunnen verteren
dat voorheen niet verteerd kon worden zodat de drager
van de mutatie in een veranderende omgeving de hongerdood
bespaard blijft waar zijn soortgenoten van de honger
omkomen. Een mutatie kan ervoor zorgen dat de drager
een afweer heeft tegen virussen of bacteriën zodat
hij blijft leven waar anderen sterven aan een nieuwe
ziekte. Zo kunnen nieuwe soorten ontstaan. Dit
wil overigens niet zeggen dat de drager van een positieve
mutatie ook altijd zijn genen door kan geven, want er
spelen nog meer factoren mee; zo zal de drager op tijd
voor nageslacht moeten zorgen en zijn partner zal een
individu moeten zijn wiens erfelijke factoren de mutatie
niet overstemmen door een dominante factor te bezitten.
Negatieve
mutaties Negatieve mutaties
zijn alle mutaties die een nadelig effect hebben op
het functioneren van een organisme, in welke hoedanigheid
dan ook. Een mutatie die tot de dood leidt, is overduidelijk
een negatieve mutatie, maar ook mutaties die het organisme
verhinderen te leven zoals het zou doen zonder de mutatie,
is een negatieve mutatie. Te denken valt aan een verkeerde
kaakstand van cavia's waardoor het gebit de verkeerde
kant opgroeit zodat de cavia het niet regelmatig en
op de juiste manier kan slijpen door te knagen. Het
gevolg zal zijn dat de cavia niet meer kan eten en sterft
indien het gebit niet wordt behandeld. Een rattenneus
daarentegen is geen negatieve mutatie indien de cavia
er geen nadelige gevolgen van ondervindt: dan is het
slechts in onze esthetische beleving een negatieve mutatie.
Samenvatting Mutaties zijn alle wijzigingen die
optreden in het DNA, zowel in de voortplantingscellen
als in de lichaamscellen. Mutaties van de lichaamscellen
worden niet aan het nageslacht doorgegeven, mutaties
in de voortplantingscellen wèl. Mutaties
kunnen spontaan optreden, maar ook optreden na inwerking
van bepaalde stoffen van buitenaf, zowel in de voortplantingscellen
als in de lichaamscellen. Mutaties kunnen neutraal,
positief of negatief zijn, afhankelijk van het effect
dat ze hebben op het fenotype. Mutaties die neutraal
zijn voor het fenotype, kunnen toch negatief zijn voor
het nageslacht van de drager van de neutrale mutatie.
|