Gregor Mendel
|
Gregor Mendel leefde in de negentiende
eeuw - in een tijd dat de meest controversiële
theorie ooit opgang deed: is alles geschapen
door God of was het een kwestie van evolutie? |
|
|
Arme boerenjongen Johann Mendel werd op 22 juli 1822 in
Heizendorf geboren, in wat nu Tsjechië is, maar
wat toen een gebied was met Duitssprekende bevolking.
Heizendorf is een piepklein dorpje. Johann's ouders,
Anton en Rosine, waren boeren. Johann had een oudere
zuster Theresia en een jongere zuster Veronika.
Johann's ouders hadden hun leven lang gewerkt en hadden
hierdoor uiteindelijk voldoende gespaard om de boerderij
van de vorige eigenaar te kunnen kopen. Johann's vader
was altijd op zijn velden te vinden, maar in zijn zeldzame
vrije uurtjes was hij te vinden in de boomgaard. Anton
experimenteerde met diverse vruchtbomen om zo de mooiste
vruchten te krijgen. Johann was daar vaak te vinden,
maar ook in het vrije veld waar hij lange wandelingen
maakte en planten verzamelde. Anton wilde dat Johann
de boerderij zou overnemen, maar op de lagere school
bleek al snel dat hij intelligent was en daarom werd
hij door zijn leraren naar het gymnasium in Troppau
(nu Opava) gestuurd. Naar het gymnasium gaan was zeer
uitzonderlijk voor een arme boerenjongen en Johann droomde
al snel van eeuwige roem - wellicht ingegeven door het
feit dat hij, door naar het gymnasium te gaan, een beroemdheid
in Heizendorf was geworden. Hij schreef er zelfs een
gedicht over.

|
Het
huidige Tsjechië. In Heizendorf en
Troppau sprak de bevolking Duits, maar in
Olmütz werd er Tsjechisch gesproken.
Troppau lag zo'n dertig kilometer van
Heizendorf af; een hele reis in die tijd,
zeker voor een elfjarige jongen die nog
nooit van huis was geweest. Brünn
heet tegenwoodig Brno, Olmütz heet
Olomouc en Znaim Znojmo. |
De ziekte teleurstelling Toen Johann zeventien jaar was, kwam
hij in de zomervakantie naar huis waar hij, gekweld
door een mysterieuze aandoening, maanden op bed bleef
liggen. Zijn vader Anton was in de winter daaraan voorafgaand
kreupel geworden omdat hij onder een omvallende boom
terecht was gekomen. Maar ondanks zijn kreupelheid,
sleept Anton zich iedere dag naar de velden om deze
te bewerken. Die moesten immers geld opleveren.
Anton was zwaar teleurgesteld toen bleek dat Johann
niets voor het vak van boer voelde - en hij begreep
niets van de ziekte van zijn zoon. Het is zeer waarschijnlijk
dat Johann teleurgesteld was over het leven aan het
gymnasium, want hij moest privé-lessen geven
om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Waarschijnlijk
had hij gedacht dat onsterfelijkheid, waarvan hij droomde,
toch makkelijker te bereiken zou zijn. Na een zomer
lang in bed gelegen te hebben in zijn ouderlijk huis,
ging hij terug naar het gymnasium en behaalde zijn diploma
in 1840.

|
Heizendorf.
Het huis uiterst rechts op de foto (wit
met een donker dak) is het ouderlijk huis
van Mendel. |
Toegangsweg
tot Heizendorf zoals het er nu uitziet.
|

|
Koud, honger en
geen geld Johann wilde
naar de universiteit omdat hij wetenschapper wilde worden
om zo erkenning te krijgen, maar dat zat er voor een
arme jongen niet in. En bovendien moest je dan een
hoger diploma hebben dan hij had. Hoewel de universiteit
er niet in zat, ging Johann toch naar Olmütz (het
huidige Olomouc) om daar de tweejarige opleiding aan
het Filosofisch Instituut te volgen. Zijn ouders hadden
geen geld om hem te ondersteunen en dus moest hij zelf
geld verdienen. Maar omdat hij geen Tsjechisch sprak
(de voertaal in Olmütz) kon hij geen privé-lessen
geven. Toen de situatie onhoudbaar werd, ging hij terug
naar Heizendorf en bleef een jaar lang in bed liggen
in zijn ouderlijk huis, waar hij zijn ouders tot wanhoop
dreef omdat hij de boerderij niet over wilde nemen en
niet wilde werken terwijl zijn vader zijn hulp juist
zo goed had kunnen gebruiken. Johanns oudere
zus Veronika was inmiddels getrouwd met Alois Sturm
en deze nam de boerderij over. Dat mocht dan Johann's
schuldgevoel dat hij had, wel verzachten, maar het bood
geen oplossing voor hem, want zonder geld kon hij niet
verder met zijn studie. Het was zijn jongere zus
Theresia die hem hielp. Toen ze 12 jaar was, bood ze
haar broer een deel van haar bruidschat aan; een som
geld die eigenlijk bestemd was voor haar huwelijk. Het
geld was voldoende voor Johann om terug te keren naar
Olmütz. en zijn studie af te maken. Theresia's
offer was iets waar hij haar zijn leven lang dankbaar
voor is geweest en hij heeft later haar zoons in velerlei
opzichten geholpen. Geen universiteit,
wel het klooster Nadat
Johann het diploma behaalde van het Filosofisch Instituut
en de universiteit onmogelijk bleek, ging hij, op aanraden
van een van zijn professoren naar het Augustijner St.
Thomasklooster. In het jaar 1843 arriveerde hij
in de stad Brünn waar het klooster lag. Hij kreeg
de kloosternaam Gregor toen hij als novice toetrad.
Het klooster had als credo Per
scientam ad sapientiam; een credo
dat Van kennis
tot wijsheid betekende. De leergierige
Johann die zo graag onsterfelijke roem wilde bereiken
als wetenschapper was hier dus op de juiste plek. Hij
mocht gebruik maken van de bibliotheek die uit 20.000
boeken bestond en hij mocht zich verdiepen in wat hij
maar wilde, zoals natuurkunde, botanie, wiskunde en
meteorologie; zijn lievelingsonderwerpen. Abt Napp,
die het klooster leidde, stimuleerde Mendel om een veelzijdige
wetenschapper te worden en hij gaf Mendel zelfs toestemming
om de broeikas, die ook als laboratorium werd gebruikt,
te gebruiken. Dit was uitzonderlijk omdat de broeikas
als een heiligdom beschouwd werd. En abt Napp liet zelfs
later een speciale kas voor Mendel bouwen zodat hij
daar zijn experimenten in kon uitvoeren.
Het
St. Thomasklooster. |

|
.
|
De
kerk van het St. Thomasklooster. |
Les en eten Mendel volgde lessen aan het Theologisch
College van Brünn in kerkelijk recht, archeologie,
moraaltheologie, exegese (uitleg van de bijbel), Hebreeuws
en Grieks. De maaltijden gebruikte hij in het klooster
en die waren zo overvloedig en Mendel hield zoveel van
eten dat hij op zijn 45ste zo dik was dat hij nog maar
moeilijk kon lopen. Zijn vetzucht kan ook gelegen hebben
aan de tussendoortjes die de monniken kregen en die
bestonden uit cake, roomtaarten, likeuren en wijnen.
Van novice tot priester Toen Mendel 25 was, werd hij priester.
Bijzonder jong om al priester te zijn, maar er waren
drie priesters gestorven aan aan een besmettelijke ziekte
die ze hadden opgelopen bij het toedienen van de laatste
sacramenten aan zieken. Er was dus een priestertekort
die deels gevuld werd door Mendel priester te maken.
Maar als snel bleek dat priester zijn niets voor Mendel
was, omdat het hem zeker geen onsterfelijkheid in de
vorm van wetenschappelijke erkenning zou brengen. De
ziekte teleurstelling hield hem ook nu weer aan bed,
en het was abt Napp die besloot dat hij dan maar leraar moest
worden. Zo werd Mendel leraar aan het gymnasium in Znaim.
Jammerlijk gefaald Mendel wilde examen doen voor zijn leraarsbevoegdheid.
Hij schreef twee essays, deed een schriftelijk examen
en reisde 16 augustus 1850 naar Wenen voor het mondeling
examen. Door een misverstand, een brief die Mendel nooit
ontvangen heeft en waarin stond dat het mondeling was
uitgesteld tot na de vakanties van de professoren die
zijn examinatoren zouden zijn, verscheen Mendel toch
in Wenen, en werd uiteindelijk toegelaten. Zelfvertrouwen
was niet iets waar hij in uitblonk, maar hij had erop
gestaan dat hij nu examen zou mogen doen. De professoren
hadden zijn werk als middelmatig tot slecht beoordeeld
en zaten te trappelen tot ze uit de warme stad weg konden
en op vakantie konden gaan. Mendel had een slecht moment
uitgekozen om op zijn stuk te blijven staan en zijn
opleving van moed verflauwde al snel tijdens het examen.
De professoren waren geërgerd, Mendel zenuwachtig.
Hij zakte jammerlijk. Eén van de professoren,
professor Kner, schreef aan abt Napp dat er nog best
wel wat van Mendel terecht zou kunnen komen als hij
maar in de gelegenheid werd gesteld om verder te mogen
studeren. Dit was bijzonder omdat er al een gezamenlijk
rapport van de examinatoren was. Het was dan ook alleen
door Kners brief dat Napp besloot Mendel naar de universiteit
van Wenen te sturen. Gouden greep Napps besluit bleek een subliem idee
te zijn. Op de universiteit van Wenen krioelde het namelijk
van de wetenschappers die allen hun eigen ideeën
hadden over evolutie - het modewoord van die tijd -
zoals Christian Doppler (van het Doppler-effect = de
verandering in waarneming van licht of geluid, waarbij
het lijkt of trillingen kleiner worden bij het naderen
en groter wanneer men zich verwijdert), Andreas von
Ettingshausen die beroemd was geworden door zijn Combinatietheorie
(de theorie om mogelijke relaties te beschrijven van
objecten in een groep die op allerlei mogelijke manier
waren gerangschikt), Franz Unger (die de theorie had
dat het fenomeen leven gereduceerd diende te worden
tot fysische en chemische wetten), en Johann Nave (die
later een deskundige op het gebied van algen zou worden).
En via Franz Unger kwam Mendel in aanraking met het
werk van veel andere wetenschappers die zich met het
raadsel der erfelijkheid bezighielden. En het was ook
Franz Unger die Mendel vertelde over kruisingsexperimenten
uit Engeland, waarbij een plant werd gebruikt die bijzonder
geschikt was voor kruisingen vanwege de structuur van
de bloemen en die gemakkelijk te herkennen eigenschappen:
de Pisum sativum. Dit was de gewone erwtenplant, die
dankzij Mendel wereldberoemd zou worden.
De
Pisum sativum In 1853
keerde Mendel terug naar zijn klooster. En hij begon
erwtenplanten te telen. Het was in dit jaar dat abt
Napp opdracht gaf om een kas voor Mendel te bouwen die
groot genoeg zou zijn voor zijn experimenten. De
bouw van de kas duurde twee jaar. In 1856 deed Mendel
opnieuw examen voor zijn leraarsbevoegdheid in Wenen.
En weer zakte hij. En prompt werd hij weer ziek.
Toen hij weer beter was, ging hij verder met zijn experimenten
in de kas die inmiddels klaar was. Misschien lijkt
het vreemd dat juist een monnik zich bezighield met
iets dat tot doel had aan te tonen dat evolutie inderdaad
bestond. De paus predikte immers dat alles door God
geschapen is. Maar de kerk waar Mendel onder viel, die
in zijn eigen klooster, was een andere mening toegedaan
en abt Napp en andere verlichtte geestelijken creërden
een klimaat waarin Mendel zich rustig bezig kon houden
met een van de meest beladen wetenschappelijke ideeën
van die tijd: bestaat erfelijkheid en indien dat zo
is, hoe werkt het? In 1856 had Mendel een aantal
moederplanten (22) geteeld die raszuiver waren en die
zich dus ook raszuiver zouden voortplanten, met andere
woorden: die vele generaties lang nageslacht voort zouden
brengen dat precies op de moederplanten leek.
De
Pisum savitum, de erwtplant. Ze kan wit
zijn of roze. |

|
De Pisum savitum
is een hermafrodiet; elke bloem bevat zowel de mannelijke
als vrouwelijke voortplantingsorganen. Mendel verwijderde
de helmknoppen die het stuifmeel (het mannelijke zaad)
bevatten en bestoof de stampers (de vrouwelijke voortplantingsorganen)
met het stuifmeel van planten waar hij niet de helmknoppen
van had weggehaald. Hij bedekte alle helmknoppen met
kapjes om te voorkomen dat ze beschadigd zouden worden
en bedekte ze weer nadat hij ze bestoven had - nu om
te voorkomen dat het stuifmeel niet van de ene op de
andere plant zou overwaaien. Dit was saai werk,
maar het was niets vergeleken met het lospellen, tellen
en op vorm sorteren van de erwten. In 1857 gingen er
7000 erwten door Mendel's handen; en dat slechts voor
één experiment. Maar het was nog niets
vergeleken met het totaal van zijn experimenten: aan
het eind van alle experimenten die hij heeft uitgevoerd,
had hij 10.000 planten, 40.000 bloesems en 300.000 erwten
geteld! Darwin
Darwin, de wereldberoemde Charles Darwin, die met zijn
On the Origin of
Species (De Oorsprong der Soorten)
de wereld op zijn kop had gezet, was een tijdgenoot
van Mendel. Darwin had zijn boek op 24 November 1859
gepubliceerd. Zijn favoriete theorie was die van de
vermenging. Als de vader lang is en de moeder klein,
zou het nageslacht van gemiddelde lengte moeten zijn
omdat de eigenschappen van vader en moeder zich zouden
moeten vermengen. Dat mocht dan gelden voor sommige
dingen, maar niet voor, bijvoorbeeld een gele vogel
en een blauwe vogel die met elkaar paren (mocht dat
al mogelijk zijn omdat ze dan waarschijnlijk tot een
andere soort behoren). Darwin werd vaak en frequent
aangevallen op zijn stellingen en sommige kon hij maar
met moeite verdedigen. Wat zou het makkelijk voor hem
geweest zijn als hij de uitkomsten van Mendel's experimenten
geweten had! Hij had dan het bewijs gehad voor het feit
dat erfelijke eigenschappen zich niet vermengd, maar
onvermengd doorgeven. In 1851 was er in Londen de
'London Exhibition'; de eerste wereldtentoonstelling
ooit. Zowel Mendel als Darwin zijn er heen geweest -
maar ze hebben elkaar, voor zover bekend, nooit ontmoet.
Klaar! In de winter van 1864 schreef Mendel
zijn Versuche über
Planzenhybriden. Het boekwerk
bestaat uit in totaal 76 pagina's, waarvan 68 beschreven
zijn. In 1865 presenteerde hij zijn manuscript in een
tweetal presentaties aan een gezelschap van botanisten,
natuurkundigen en een aantal monikken. Niemand begreep
er veel van, met name omdat Mendel zoveel wiskundige
formules gebruikte. Vervolgens bestelde Mendel 40 nadrukken
van zijn manuscript (een bijzonder hoog aantal voor
die tijd) omdat hij het aan diverse wetenschappers wilde
versturen in de hoop zo erkenning te krijgen. Een manuscript
werd in die tijd met vastzittende bladen verstuurd zodat
de ontvanger de bladen eerst los moest snijden voordat
hij het kon lezen. In de bibliotheken van een paar wetenschappers
is zijn manuscript inderdaad teruggevonden, maar de
bladen waren niet losgesneden. Ook in Darwin's bibliotheek
werd Mendel's manuscript teruggevonden: ook hiervan
waren de bladen niet losgesneden, dus Darwin heeft Mendel's
werk nooit gelezen.
De
titelomslag van Mendels boek. |

|

|

|
Delen van twee pagina's
uit Mendels boek waarin hij de termen A
en a gebruikt om dominante en recessieve
erfelijke factoren aan te geven, en waarin
hij ook de termen homozygoot en heterozygoot
gebruikt. |
Einde van een droom Op 30 maart 1868, Mendel was toen 46,
werd hij tot abt gekozen. Abt Napp was overleden. Op
13 oktober 1870 raasde er een tornado door Brünn
waarbij Mendel's kas verwoest werd; het stond symbolisch
voor het einde van zijn leven als onderzoeker en betekende
ook dat hij zijn droom nooit in vervulling zou zien
gaan. De wereld was hem al vergeten voor ze hem ooit
gekend had.

|
Mendel
in zijn functie van abt. |
Achteruitgang In 1874 diende het St. Thomasklooster
een nieuw soort belasting te betalen; iets wat Mendel
onzin vond omdat hij van mening was dat belasting op
het bezit van de kerk ongrondwettig was. Hij begon een
eenmansaktie tegen de belastingdienst die bijna tien
jaar duurde en die ontaardde in een vete tegen iedereen
die hem erkenning als wetenschapper had ontzegd: dat
was bijna iedereen. Alleen zijn knecht, zijn huishoudster
en zijn drie neven (die op zijn kosten naar het gymnasium
in Brünn gingen) beschouwde hij niet als de vijand
die hem zo had teleurgesteld en die hem eeuwige erkenning
voor zijn wetenschappelijk werk had ontzegd. Zijn
neef Alois zei later over hem dat hij zoveel teleurstellingen
had ondervonden in zijn leven, dat hij nu zelf teleurgesteld
was in de gehele wereld en zich er daarom vanaf keerde
- en zich wendde tot zijn tuinen, die hem altijd weer
plezier schonken, ook al teelde hij er nu geen erwtenplanten
meer. Het einde Op 6 januari 1884 stierf Mendel aan
de ziekte van Bright, een aandoening van de nieren.
Hij werd begraven op dat deel van de begraafplaats dat
voorbehouden was aan de Augustijnerleden van het St.
Thomasklooster. Toch niet het einde Karl Correns, Hugo de Vries en Erich
von Tschermak, allen wetenschappers die zich bezighielden
met erfelijkheid, ontdekten ongeveer gelijktijdig, in
de lente van 1900, Mendel's werk en borduurden daar
op voort, maar het was Hugo De Vries die als eerste
een publicatie uitbracht. Het was echter William Bateson
die het manuscript van Mendel opnieuw uit liet geven
en het, tezamen met zijn eigen voorwoord, als titel
Mendel's Principles
of Heredity: A Defence meegaf.
Het was ook Bateson die het woord genetica verzon; afgeleid
van het Grieks gentikos dat 'oorsprong, vruchtbaar of productief'
betekent. In die tijd waren er veel woorden in omloop
voor wat wij nu kennen als genen: gemmulus, micelgroepen,
pangenen, plasomes, idioblasten en bioforen waren er
slechts enkele van. Het was de Deense wetenschapper
Wilhelm Johannsen die het woord gen in 1909 introduceerde..
Het was geen afkorting van genetica, maar de helft van
het woord pangen. Pangen was verzonnen door De Vries
die het op zijn beurt had afgeleid van de theorie van
pangenesis waar Darwin mee was gekomen. Johannsen introduceerde
ook de woorden fenotype en genotype. Er werden nog wat
andere woorden bedacht en sommige van de termen die
Mendel had gebruikt, werden aangepast. Het duurde nog
tot 1964 voordat de Amerikaan James Watson en de Engelsmannen
Francis Crick en Maurice Wilkins de structuur van het
DNA ontrafeld en ontdekt hadden, maar toen was genetica
dan ook plotsklaps een geliefd onderwerp en genetici
waren opeens helden. Mendel had al een standbeeld
gekregen, en het Mendelianum, een museum over Mendel
was opgericht en het St. Thomasklooster was opeens de
geliefde plek voor genetici en andere mensen om naar
toe te gaan om met eigen ogen de plek te zien waar Mendel
de genetica ontdekt had, en nu kreeg Mendel eindelijk
de erkenning en de onsterfelijke roem waar hij zijn
leven lang zo naar verlangd had: voortaan was hij De Vader van de Genetica. Voorspellende gaven? Mendel had in zijn laatste jaren, toen
hij al abt was, maar nog niet iedereen als de vijand
beschouwde, vaak tegen een vriend van hem gezegd: "Meine
Zeit wird schon kommen." (Mijn tijd zal nog komen.)
Was dat een uiting van zijn ongenoegen op de wetenschappelijke
wereld die hem niet de erkenning had gegeven die hij
zo graag wilde? Was het een uiting van iets dat hij
hoopte? Of had hij een voorgevoel dat zijn tijd inderdaad
nog wel zou komen? Toen hij op het gymnasium
te Troppau zat als jonge jongen, schreef hij een gedicht
dat letterlijk zegt wat er later gebeurde - en als hij
inderdaad oprijst uit zijn graf, zal hij zien dat zijn
woorden werkelijkheid zijn geworden.
|
Ja,
zijn lauweren zullen nimmer verwelken,
Maar de maalstromen van de tijd Zal
hele generaties in de afgrond zuigen,
Slechts brokstukken met mos begroeid
Zullen resten van het tijdperk Waarin
het genie verscheen... Moge de macht
van het lot mij verlenen De hoogste
extase van aards genoegen. Het hoogste
doel van aardse extase: Te zien, wanneer
ik oprijs uit het graf, Dat mijn vak
vredig verder bloeit Onder hen die na
mij zullen komen.
|
|